27 november 2013

Wmo-voorzieningen: rechter verbiedt zowel inkomens- als vermogenstoets

26 November was een belangrijke dag voor gemeenten in het kader van Wmo-voorzieningen en de draagkracht van de aanvrager: de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in het kader van sociale voorzieningen, deed uitspraak in drie zaken met een vergelijkbare achtergrond. In alle gevallen werd de gemeente in het ongelijk gesteld, en viel de beslissing uit in het voordeel van de aanvragers.

In het eerste geval ging het om een vrouw die bij haar dochter is gaan wonen omdat ze verzorging nodig heeft. De gemeente wees haar aanvraag voor hulp bij het huishouden af, omdat ‘zij de kosten van de huishoudelijke hulp zelf kan dragen’. Ze heeft een vermogen van 50.000 euro en kan de kosten van levensonderhoud delen met haar dochter, redeneerde de gemeente. Een andere gemeente weigerde een traplift omdat de aanvrager een inkomen van 27.000 en een vermogen van 270.000 euro had. Een derde zaak was aangespannen door een echtpaar dat niet werd toegelaten tot de Regiotaxi.

Als de gemeente moet beoordelen of burgers hun eigen ondersteuning kunnen organiseren, dan mag rekening worden gehouden met de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Heeft iemand na een ongeval waardoor hij hulpbehoevend is geworden bijvoorbeeld verzekeringsgeld ontvangen, of waren er al speciale voorzieningen in een huis dat verkocht wordt, dan mag dat meegewogen worden. Maar dat betekent niet dat de gemeente een individuele Wmo-voorziening mag weigeren op grond van het feit dat een aanvrager inkomen of vermogen heeft. Dan doorkruist de gemeente de wettelijke regeling voor eigen bijdragen, die op grond van de Wmo is getroffen. De gemeenten kan op deze manier inkomensbeleid voeren, maar dat is iets wat de centrale wetgever pertinent niet wil. Bovendien frustreert zo’n eigen beleid de wettelijk regeling die opeenstapeling van eigen bijdragen op grond van de Wmo en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) tegengaat.

Bron: www.rechtspraak.nl