15 januari 2014

Nieuwe Wmo naar Tweede Kamer

Langedijk moet zwart op wit zetten hoe en wanneer inwoners in aanmerking komen voor een zogeheten (individuele) maatwerkvoorziening. Burgers weten dan welke maatschappelijke ondersteuning zij van de gemeente kunnen verwachten. Dat staat in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die staatssecretaris Van Rijn dinsdag naar de Tweede Kamer stuurde.

Pas als de burger het zelf niet redt, ook niet met hulp van zijn sociale omgeving, kan hij bij de gemeente aankloppen. Binnen acht weken moeten burgers weten of zij in aanmerking komen voor een individuele voorziening (bijv. een scootmobiel of een woningaanpassing) dan wel een algemene voorziening (zoals dagbesteding). Bij afwijzing van een voorziening, kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Voor de uitvoering van de nieuwe Wmo, die op 1 januari 2015 in werking moet treden, ‘krijgen’ alle gemeenten bij elkaar 3,9 miljard euro.

Inkomen of vermogen van burgers kan geen reden zijn om een voorziening af te wijzen, zo blijkt uit de wet. De gemeente mag net zoals nu alleen een eigen bijdrage vragen, die landelijk wordt vastgesteld. Zowel de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) als de Raad van State (RvS) hebben hier grote moeite mee, gezien de forse bezuinigingen die met de overdracht van taken gepaard gaan. Beide stellen dat gemeenten op deze manier te weinig juridische mogelijkheden hebben om verzoeken af te wijzen van burgers die Wmo-voorzieningen zelf kunnen regelen en betalen, zoals huishoudelijke hulp. Het budget dat gemeenten hiervoor krijgen wordt met 40 procent gekort. Ook voor andere onderdelen van de Wmo krijgen gemeenten minder geld.

Ook het overgangsrecht blijft gehandhaafd. Daarbij worden gemeenten verplicht om inwoners met een indicatie voor zorg − die nu nog onder de Awbz valt − in ieder geval in 2015 volledig te continueren. Het persoonsgeboden budget (pgb) blijft bestaan, maar het beheer daarvan wordt ondergebracht bij de Sociale verzekeringsbank (SVB). Die betaalt de zorgaanbieder of leverancier. Geld voor een pgb wordt niet meer op de rekening van de cliënt gestort.

Gemeenten moeten toezichthouders in het leven roepen. Die gaan periodiek bij de mensen thuis kijken of ze de zorg krijgen waarop ze recht hebben, en of die van voldoende kwaliteit is. Een nieuwe zorgaanbieder die na een gemeentelijke aanbesteding zorg mag verlenen, moet met de voormalige aanbieder in overleg of het personeel kan worden overgenomen. Gaat het college van B&W met een zorgaanbieder een overeenkomst voor het leveren van een maatwerkvoorziening aan, dan moet worden gezorgd voor continuïteit in de hulpverlening.